Bezoek aan ouders Amsterdamse ex-vriendin Els uit de zestiger jaren

Woensdag 24 maart 1993


Op bezoek bij de familie D., Mariotteplein 17 te Amsterdam, Watergraafsmeer. Dertig jaar geleden kwam ik hier voor het eerst om ze na sept. 1965 niet meer te zien. Ik had een innige, intensieve relatie met hun dochter Els die bij mij in de klas zat. We zagen elkaar elke dag en brachten gemiddeld een uur of twaalf per dag met elkaar door.

Aanwezig zijn de heer en mevrouw D. en de dochter van Els, begin twintig, goed ogend, net geslaagd voor haar onderwijzeressen examen. De geschiedenis herhaalt zich.
Het interieur is nog hetzelfde als drie decennia geleden. Saai, sober en grijs. Een blind paard kan er geen schade aanrichten.
Ik krijg een kop thee aangeboden. Mevrouw D. galmt in de keuken off key “Welk een naam is onze Jezus”.
“Dat zong U vroeger ook vaak”, zeg ik.
“O, ja? Daar weten we niets meer van! Vroeger zijn we vergeten!” zegt Pa Deutekom kwasi vergeetachtig. Aanvankelijk wenden ze voor zich niets meer van de jaren 60 te herinneren dat ik er regelmatig kwam tussen 1963 en 1966.
Wat later vertellen ze me details uit die tijd die ik al lang vergeten was.
Ze lijken in verlegenheid met mijn bezoek. Net als vroeger voel ik mij onbehaaglijk en niet welkom.
Als de dochter van Els weg gaat neemt het gesprek een heel andere wending. Ik had vantevoren besloten om het onderwerp Els te laten rusten.
Haar brieven en fotos heb ik nog. Het lijkt documentatiemateriaal uit een andere universum. Ik heb er niets meer mee.
“Els is vlak na jou gelukkig getrouwd met haar jeugdliefde en is God zij geloofd in de gereformeerde gezindte gebleven. Zij bewandelt de juiste weg. Daar stond jij buiten. Jij kwam uit een milieu waar het normaal was als mensen gingen scheiden. Jouw familie bewandelde de weg des behouds niet. Wij konden dat niet accepteren. Alles hebben we er aan gedaan om Els te overtuigen dat zij niet met jou moest trouwen. Twee geloven op één kussen daar slaapt de duvel tussen, daar zijn wij van overtuigd! Kinderen van gescheiden ouders herhalen de zonden hunner ouders tot in het vijfde geslacht, daar wilden wij Els voor behoeden. Jij was een kind van de zonde! En wij weten wie de vader van de zondde is!” zegt Ma Deutekom.
“Wie is dat dan?” vraag ik verbaasd.
“De Duivel met een grote D, de Boze met een grote B en de Satan met een grote S. Wie niet in de Heer is die is van de Satan!” zegt Pa Deutekom.
Ik zwijg. Wat moet ik er op zeggen? Ik heb hun excuses niet nodig. De geuite beschuldigingen doen mij niets.
“De man van Els is trouwens een vreselijke potentaat. Ze heeft niets in te brengen, behalve haar salaris als onderwijzeres” , voegt ze er aan toe. Het kan mij weinig schelen.
“Och, als ze daar gelukkig mee is. Heel wat vrouwen met een bepaalde aanleg vinden het prettig onderdrukt te worden door hun man” zeg ik zo neutraal mogelijk.
“Ja, dat vindt zij ook, ze is in- en ingelukkig. De Bijbel zegt ook dat de man het hoofd van het gezin, maar ook koning en priester. De vrouw dient in alle nederigheid te volgen. Er werd door haar echtgenoot ook vreselijk aan haar getrokken toen ze met jou om ging. Elke dag stond hij haar op te wachten. Hij heeft ons nog voor gesteld om jou uit de weg te ruimen. Dat heeft niet veel gescheeld. Wij vond dat zoiets niet kon voor echte christenen, maar hij haalde het Oude Testament er altijd bij. Elke dag heeft hij haar bestookt met dat zij de enige voor hem was en door de Here voor hem was weg gelegd, dat zij een Goddelijke beschikking was, God had ze voor elkaar bestemd, dat heeft hij jaren vol gehouden en uiteindelijk is ze toen maar gezwicht voor de druk.”
“De aanhouder wint”, zeg ik sarcastisch, maar dat ontgaat ze.
“Zo gaan die dingen nu eenmaal. Hij heet eigenlijk Harry, maar is zich Hendrik gaan noeemen omdat die naam historische herinne ringen op wekt. Frederik Hendrik en zo. Het heeft iets met vaderlandse geschiedenis te maken, zegt hij. Ach, het is een keurige gereformeerde jongen die orgel in de kerk speelt, echt een brave Hendrik en Els blokfluit erbij, maar hij is verschrikkelijk dominant. Ze mag helemaal niets. Meneer is de baas in huis. Hij controleert haar van minuut tot minuut. Zo gaat dat in onze kringen.”
“Waar je maar zin in hebt”, zeg ik. Blij dat ik niet tot hun kringen behoor.
De onwaarachtige excuses die deze beide oude mensen geven na dertig jaar wekken een wrang gevoel bij mij op. Misschien had ik moeten zeggen: “Waarom hebben jullie me laten barstten toen alles mis ging eind 1965 tot 1967? Jullie wisten toch in wat voor een ellendige situatie ik zat in het huis van mijn grootouders? Jullie hebben gehoord van Els hoe ze daar elke dag van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat mij zaten te treiteren? Mijn boeken weg gooiden, akawarellen opzettelijk koffie over heen gooiden, brieven achter hielden of openden. Waar waren jullie met je zalvende christelijke prietpraat toen ik maanden lang ziek lag in 1965?
“Jij hebt een paar jaar geleden ons een briefje gestuurd waarin je vroeg hoe het met Els ging. Of vergissen wij ons soms? En wat dacht je daar mee te bereiken? Wij vonden dat jij met onze familiezaken niets te maken had. Wij verdachten je van verkeerde bedoelingen. Wij weten hoe men buiten onze christelijke kringen denkt over huwelijkstrouw en gaan de kat niet zonder meer op het spek binden. Vier billen in één bed maken nog geen huwelijk voor de wet des Heeren.”
“Zo is het” beaam ik spottend.
“Die brief kwam bij ons binnen als een duivelse donderslag bij heldere hemel!”
“O, ja? Er stond alleen maar in hoe het met Els ging, verder niets!”
“Alsof dat niet genoeg is! Onze Els die wordt benaderd door een ongelovige. Of vergissen wij ons in je bedoelingen?”
“Ik had er geen enkele verder bedoeling mee dan in de brief stond.”
“Zes jaar geleden heb je die brief gestuurd. Vind je dat zelf niet merkwaardig om na zo’n lange tijd een brief te sturen? Wij keken ddaar vreemd van op”
“Had ik het dan eerder moeten doen? Ik kan het me trouwens niet goed herinneren,” zeg ik geamuseerd.
“Jouw brief heeft toen een hele consternatie gegeven in onze familie. We hebben onmiddellijk het weekend daar na een familie beraad bijeen geroepen om je verzoek in gebed bij de Heer te brengen en om Zijn oordeel daar over af te smeken. Wij wisten niet hoe we de zaak moesten aanpakken!”
“Welke zaak? “ vraag ik ogenschijnlijk serieus. Hoe maakt men in gereformeerde kringen van een mug een olifant.
“Voor ons was het een moeilijke zaak! De Heere Heere der Heerscharen heeeft ons toen uitkomst geboden, want aan Zijn zegn is alles gelegen” zegt Ma Deutekom.
“Is dat dan een zaak als ik een onschuldig briefje stuur over hoe het met een ex- vriendin gaat? Voor zover ik ooit een brief heb geschreven, want ik kan het me niet herinneren!”
“Wij kunnen ons ook vergissen. Misschien verwisselen we het met een baluwe envelop van de belastingen” zegt Pa Deutekom onzeker.
“Okee, dat is mogelijk. Ik weet het echt niet meer. Het heeft geen diepe indruk op me gemaakt” zeg ik wat wrevelig.
“In ieder geval had Els er geen enkel bezwaar mee eens met je te praten over het verleden en hoe de Heere haar toen heeft laten zien dat jij niet de juiste voor haar was. Ze zou wel willen, maar mag niet van haar echtgenoot en die beslist en daarom doet ze het niet. Haar man zegt; die Fred van der Wal, dat is zo’n soort kunstenaar die wil gelijk een verhouding met haar beginnen, want zo zijn al die kunstenaars!”
“Zijn ze zo allemaal? Dat wist ik niet!” zeg ik. Ik ken de gereformeerden; hun redeneringen zijn duister en zelden aangenaam. Ze zijn gefocust op sex. Hoe gereformeerder, des te geiler.
“En Els wil helemaal geen verhouding, die is zo helemaal niet! Er zijn er wel meer die het geprobeerd hebben, maar die zijn van eeen kouwwe kermiss thuis gekomen!” voegt Ma Deutekom er aan toe.
“Daar houden we het dan maar op! Laten we het gesprek maar beeïndigen!” zeg ik terug. Elke moeite om de beide Deutekommen te overtuigen dat ik alleen voor hen ben gekomen is tevergeefs. Ze blijven argwanend.
“Kom” zegt Pa Deutekom opgelucht als hij hoort dat ik weg ga; ”Ik stap ook maar eens op. Nog even een eenzame, Oude Jood bezoeken, een kind van het Oude Volk, die hebben ze tenminste niet vergast! Hebben we heel wat aan te danken aan de Joden!”
Het gouden kalf schiet me te binnen.
“Is hij soms een Messias belijdende Jood” vraag ik., want ik weet dat in hun huis niet gereformeerden doorgaans geen toegang hebben en ze ook niet om gaan met anders gelovigen.
“Nee, helemaal niet, maar ik bezoek zo nu en dan oude, eenzame mensen, want wie goed doet, goed ontmoet” zegt hij.
En knollen rapen doet het gat gapen, denk ik er achter aan.
Ik geef Pa en Moe Deutekom een hand. Hij drukt me nog even een christelijk boekje in de hand.
“Hier! Heb je wat te lezen in de trein in plaats van De Volkskrant!”

Share this: